Internet via licht: aantrekkelijk alternatief voor WiFi

Internet via licht kan een belangrijke vorm van draadloze communicatie worden. Dat is de belangrijkste conclusie uit het onderzoek Optical Wireless Communication, options for extended spectrum use, dat Agentschap Telecom uit heeft laten voeren. De techniek maakt snel internet mogelijk en kan bovendien het veelgebruikte WiFi ontlasten. 

Door het intensieve gebruik is WiFi in delen van het land overbelast, vooral in stadscentra en andere drukke gebieden. Daardoor kan het traag worden en kunnen er verstoringen optreden. Internet via licht kan WiFi-netwerken ontlasten. Het kent twee verschijningsvormen: via zichtbaar licht en via infrarood.

Illustratie over de werking van Lifi

Internet via zichtbaar licht

Internet via zichtbaar licht wordt ook wel LiFi genoemd (Light Fidelity). LiFi gebruikt licht vanuit LED-lampen en kan daarmee een snelheid van 50 Mbit/s per seconde halen. LiFi kan overal toegepast worden, bijvoorbeeld in woningen, kantoren of in winkelcentra. Het enige dat nodig is zijn speciale armaturen voor de LED-verlichting en een dongel voor in de ontvanger, bijvoorbeeld een laptop. De eerste producten voor LiFi zijn inmiddels al op de Europese markt.

Internet via Infrarood

De andere variant maakt gebruik van infrarood.  Hierbij worden infraroodbundels naar de apparatuur gezonden. Zo kunnen snelheden bereikt worden die tot duizend keer sneller zijn dan de gemiddelde WiFi verbinding. De bandbreedte is bovendien een stuk groter: er kan veel meer informatie mee verzonden worden. Infrarood WiFi werkt al succesvol in laboratoriumsituaties. Het is nog niet verkrijgbaar op de markt.

Aanbevelingen

Aanbeveling uit het onderzoek is onder andere om bij de bouw van huizen, kantoren en openbare gebouwen alvast rekening te houden met de infrastructuur die nodig is voor internet via licht. Ook is het belangrijk dat er in internationaal verband gewerkt wordt aan eensluidende richtlijnen en eisen voor de apparatuur die voor internet via licht nodig is.

Het onderzoek is uitgevoerd door onderzoeksbureau Stratix en de TU Eindhoven, in opdracht van Agentschap Telecom.